De lange weg naar Alaska, een verhaal van loslaten en ontdekken - van Ketchikan tot Wrangell
Een reis door regenwoud, totempalen en rotstekeningen
Een persoonlijk reisverhaal over het zuidelijke deel van de Inside Passage in Alaska. Van de regenachtige charme van Ketchikan tot de stilte van Wrangell, met ontmoetingen met zalm, totempalen en eeuwenoude rotstekeningen. Deel 3 van de blogreeks De lange weg naar Alaska.
De Inside Passage ontvouwde zich voor ons als een nieuw hoofdstuk. Het voelde alsof we een grens overschreden – zowel geografisch als emotioneel. We waren nu echt in Alaska, een plek waar we al jaren van droomden.
De zee werd ons pad en de regen onze metgezel. In Ketchikan en Wrangell maakten we voor het eerst kennis met Alaska. Er was geen eindeloze toendra of gletsjers. In plaats daarvan waren er regenwouden, totempalen, zalmtrekken en rotstekeningen. Maar bovenal waren er verhalen. Verhalen over mensen, dieren en plaatsen die tot leven komen als je de tijd neemt om te luisteren.
Aankomst in Ketchikan – Licht dat niet van mensen komt
Na de ferrytocht vanuit Prince Rupert, die ons door mistige fjorden en langs verlaten kustlijnen voerde, zetten we eindelijk voet op Alaskaanse bodem. Hoewel het nog maar kwart voor drie ’s nachts was, begon de oostelijke hemel al te gloeien. Tegen de tijd dat we onze plek aan het water bereikten op de Clover Pass camping, was de zon al opgekomen. Het werd nooit echt donker – niet vanwege lichtvervuiling, maar vanwege de natuur zelf. Een zacht, diffuus licht dat niet van mensen kwam, maar van Moeder Aarde.
Op onze eerste ochtend in Ketchikan werden we wakker met uitzicht op een kleine jachthaven vol sportvisboten en omringd door bomen, waar Amerikaanse zeearenden op hun kans lagen te wachten. De zalmtrek was dit jaar laat, vertelden de lokale bewoners ons, en de arenden hadden honger. Sommigen noemden ze zelfs “nuisance birds” - lastige vogels – vanwege hun uitwerpselen op campers en hun brutale gedrag. Maar voor ons waren ze een eerste teken van het wilde Alaska: majestueus, opportunistisch, en altijd aanwezig.
We raakten aan de praat met Rayburn en Kitty, een gepensioneerd koppel uit Indiana dat de zomers in Ketchikan doorbrengt en de winters in Cabo San Lucas. Hun camper was als een paleis op wielen, compleet met satelliettelevisie, een volledig uitgeruste keuken, een queensize bed en zelfs een ouderwetse voetkachel. Ik voelde me bijna vereerd toen Rayburn, een voormalig tandarts, me een compliment gaf over mijn tanden. Deze onverwachte ontmoeting bracht ons in contact met een gemeenschap van reizigers die hier elk jaar terugkomen – mensen met verhalen, gewoontes en een openheid waardoor we ons meteen welkom voelden.
Totems, zalm en de steile klim
Ketchikan noemt zichzelf trots de “Rain Capital of Alaska”, en terecht. Hier is regen hier geen spelbreker, maar "part of life”. Alles glinstert, alles leeft. We bezochten Totem Bight State Historical Park, waar Haida- en Tlingit-totempalen als bewakers midden in het regenwoud staan. Elk houtsnijwerk vertelt een verhaal over clans, dieren en vervlogen tijden.
In het centrum van Ketchikan vonden we een galerie met inheemse Amerikaanse kunst die ons verraste met zijn authentieke werken – geen toeristische kitsch hier, alleen maskers en totems van lokale kunstenaars. Didier vond er een totempaal, gesneden door een leerling van Nathan Jackson, de meester-houtsnijder van Zuidoost-Alaska. Ik was gefascineerd door een ravenmasker dat kracht en mysterie uitstraalde, maar de prijs was even indrukwekkend als het werk. Toch groeide het idee om een totempaal te laten maken, een die ons verhaal vertelt en die op een dag een plekje zou krijgen in ons huis in België.
De zoektocht naar verse zalm bleek minder eenvoudig. In een stad waar iedereen zelf vist, is een viswinkel overbodig. Toch vond ik een plek waar ik een prachtige Chinookzalm kon kopen. Die avond grilden we hem eenvoudig op onze draagbare BBQ – wat olie, zout, peper en een snufje basilicum. De smaak was puur en wild, veel beter dan alles wat we ooit hadden geproefd. Gaïa, die normaal gesproken geen fan is van vis, at met smaak en zei: “Dit is écht lekkere vis. Hij ruikt niet eens naar vis.” Soms zegt een kind precies wat je zelf voelt.
Op de terugweg naar de camping kwamen we een omleiding tegen die zo steil was dat zelfs Didier, een ervaren chauffeur, bezorgd leek. De motor van de camper gromde en de meters kropen langzaam voorbij. Ik zag al rampscenario's voor me waarin we achteruitrolden en vast kwamen te zitten. Toen we eindelijk de top bereikten, voelde ik een enorme opluchting, maar mijn maag bleef gespannen. Ik nam me voor om die route nooit meer te nemen – een belofte die ik zou moeten breken.
De Misty Fjords en de dans van de orka’s
Op Independence Day stonden we vroeg op en maakten we een boottocht naar de Misty Fjords. De zon stond al hoog aan de hemel toen we lokale vissers in hun boten zagen vertrekken – vissen wordt hier heel serieus genomen. De catamaran Majestic Fjord bracht ons diep het fjordenlandschap in, langs steile kliffen en afgelegen baaien. Onze gids, Paul, een student uit Anchorage die zijn hele leven in Ketchikan had gewoond, vertelde met veel humor over het leven in een afgelegen gemeenschap. Hij vertelde verhalen over melk die op woensdag werd geleverd en op vrijdag alweer op was. Hij vertelde ons over containers die overboord vielen en Nike-schoenen die langs de hele westkust aanspoelden. Zijn verhalen waren net zo kleurrijk als het landschap.
Onderweg zagen we een kleine groep orka's sierlijk uit het water oprijzen, zeehonden die zich koesterden op zonovergoten rotsen en zeearenden die boven ons cirkelden. De fjorden zelf waren gehuld in een mysterieuze mist en de sfeer leek bijna irreëel. Terwijl de meeste passagiers binnen bleven, trotseerden wij de wind op het dek, die net zofel in ons gezicht brandde als de zon.
Halverwege de tocht meerden we aan bij een drijvend platform, waar watervliegtuigen één voor één landden. De meeste passagiers gingen van boord en namen een van de vliegtuigen om terug te keren naar hun cruiseschepen in Ketchikan. Het was een choreografie van kerosine, camera’s en kortstondige luxe. Wij bleven aan boord, wat de moeite waard bleek te zijn. Op de terugweg zagen we twee zwarte beren langs het strand, op zoek naar mosselen. De kapitein maakte een omweg naar een actief adelaarsnest waar een paartje zich had genesteld. De wind trok aan, de boot versnelde tot dertig knopen, en Alessio leunde in de wind alsof hij gedragen werd door de elementen.
Terug in Ketchikan sloegen we gerookte zalm en gedroogd vlees in. De dag voelde als een complete reis. De smaken, de geuren, de verhalen – alles was intenser dan we hadden verwacht. Terwijl de cruiseschepen hun passagiers weer aan boord namen, beseften we dat we op zoek waren naar iets anders: niet alleen vluchtige indrukken, maar een diepe onderdompeling in het ritme van Alaska.
Independence Day aan de waterkant – een halibut fry om nooit te vergeten
Die avond vierden we Independence Day op een gedenkwaardige manier. Op de camping nodigde Rayburn ons uit voor de traditionele halibut fry, een jaarlijks evenement waarbij vaste gasten samenkomen voor een potluck-diner. Iedereen neemt zijn eigen borden en bestek mee, waardoor er een gevoel ontstaat van verbondenheid met een hechte gemeenschap van vrienden ver van huis.
Rayburn stelde ons voor aan Rose, een 76-jarige vrouw vol levensvreugde en humor die het beslag voor de vis had bereid. Haar recept was perfect en zorgde voor een dun, licht korstje rond de stukjes heilbot – in tegenstelling tot de zware, onverteerbare brokken die je soms in gemiddelde restaurants krijgt. Rose vertelde dat het recept oorspronkelijk afkomstig was van haar vriendin Jo Alemose, die dit jaar voor het eerst afwezig was omdat haar man in het voorjaar aan kanker was overleden. Rose voegde haar eigen kenmerkende touch toe aan het beslag met een scheutje Tabasco. Terwijl we genoten van de voorbereidingen voor het feest, vertelde Rose ons over haar broer, die tijdens de Tweede Wereldoorlog had gevochten in de Slag om de Ardennen. Ondertussen kwamen Didier en de kinderen terug van de jachthaven, waar een charterboot net een indrukwekkende vangst had binnengebracht: heilbot, zalm en leng, een typische vissoort uit de Stille Oceaan. De vis werd gewogen, gelabeld en klaargemaakt om schoongemaakt en ingevroren te worden – een heel spektakel.
Tegen vijf uur verzamelden we ons rond het nieuwe prieel aan het water. De tafel stond vol: pastagerechten, rijstsalades, koolsalade, chili, gevulde eieren, chips met artisjokkendip, Chinese koolsalade en een selectie desserts. De zon scheen, een lichte bries maakte het aangenaam, en boven ons cirkelden zeearenden op zoek naar een snelle buit. Rayburn, de gepensioneerde tandarts met een passie voor koken, bakte de vis tot in de perfectie. De heilbot was heerlijk – ik at twaalf stukjes, Gaia elf, en samen met de groep ging er zo’n veertig pond vis doorheen. Het voelde warm en gastvrij, een ervaring die ons beeld van Amerikaanse patriotisme volledig nuanceerde. 's Avonds kwam er nog een boot aan met een heilbot van 69 pond, tot grote teleurstelling van de vissers, die hadden gehoopt op 80-90 pond. Terwijl de zon langzaam onderging, bespraken we nog de late zalmtrek en genoten na van een dag die ons dichter bij Alaska en zijn bevolking had gebracht.
Saxman Village en de droom van een totem
Op onze derde dag in Ketchikan reden we naar Saxman Totem Village, een plek waar de totempalen je langs de oprijlaan verwelkomen. Aan het einde van het pad hoorden we het ritme van drums uit het clan house komen. Er werd een voorstelling gegeven voor cruisepassagiers die in minder dan twee uur een glimp van de lokale cultuur opvangen. Maar onze ervaring was anders. We hadden geen gids, geen vast programma, geen bus die ons terugbracht naar een schip. We waren vrij om rond te dwalen, te kijken, te luisteren.
In de werkplaats troffen we niemand minder dan Nathan Jackson, de wereldberoemde Tlingit houtsnijder. Zijn aanwezigheid vulde de ruimte met een stille kracht. Didier vroeg of hij een foto mocht maken, en Nathan stemde toe. Wat volgde was een gesprek dat dieper ging dan louter toeristische nieuwsgierigheid. Didier vertelde over zijn droom om een totem te maken die ons verhaal vertelt, deze reis symboliseert en wat ze voor ons betekent. Nathan luisterde, stelde vragen, en gaf suggesties. “Vertel me je verhaal,” zei hij, “dan vind ik de symbolen.”
Het idee van een persoonlijke totempaal – tussen de drie en vier meter hoog, geplaatst aan ons huis in België - kreeg vorm. Het zou geen souvenir zijn, maar een getuigenis. Nathan raadde ons het boek The Wolf and the Raven aan, waarin de betekenis van de totempalen in Ketchikan wordt uitgelegd. Van daaruit konden we ons eigen verhaal destilleren, en de symboliek voor zichzelf laten spreken. Terwijl Didier verder praatte, speelden de kinderen tussen de bessenstruiken. De lokale bevolking zei dat de natuur uit balans was, maar de kinderen genoten van elke zure hap.
Toen we later terugkeerden naar Saxman, was het licht perfect. De toeristen waren vertrokken en de plek was verlaten. Didier ging alleen op pad om foto's te maken, terwijl ik bij de kinderen in de camper bleef. Ze stuurden e-mails naar vrienden via een open wifi-netwerk – een klein moment van verbinding met de wereld buiten Alaska. Didier kwam terug met een glimlach die alles zei. Hij had weer met Nathan gesproken over het leven, over dromen, over hout. Ik wist toen dat deze reis een totem zou krijgen. Misschien niet van hout, maar wel in herinnering.
Wrangell – Een plek zonder cruiseboten
De ferry naar Wrangell vertrok in de vroege namiddag en bracht ons in zes uur tijd naar een andere wereld. Waar Ketchikan leeft op het ritme van cruiseboten en toeristenstromen, ademt Wrangell rust uit. Er zijn geen schepen van vijftien verdiepingen hoog, geen souvenirwinkels die sluiten zodra de laatste passagier vertrekt. Wrangell is klein, authentiek en onaangetast. De afstand van de ferryterminal naar onze camping aan Alaska Waters Park was amper een mijl, en toch voelde het als een overgang naar een andere dimensie.
Wrangell, gelegen aan de monding van de Stikine-rivier, met iets meer dan tweeduizend inwoners, straalt eenvoud uit. De regen is hier milder - “slechts” 200 cm per jaar – en de stilte die over het eiland hangt, is tastbaar. Omdat de winkels al om zes uur sluiten, namen we onze fietsen om te gaan eten in de Stikine Inn, een van de twee restaurants in het dorp. “Fine dining” kreeg hier een nieuwe betekenis: geen tierlantijntjes, alleen perfect gebakken heilbot, vers en puur. De kinderen hielden het bij cheeseburgers, maar zelfs die smaakten naar eenvoud en eerlijkheid.
Op de terugweg fietsten we door lege straten, onder een hemel die langzaam van kleur veranderde. De rust van Wrangell was voelbaar. Hier hoefde niets. Hier mocht alles. Het was een plek die niet probeerde indruk te maken, maar je uitnodigde om te blijven. Terwijl we ons voorbereidden op de volgende dag – een tocht naar Anan Creek – voelde ik dat Wrangell een van die plekken zou zijn die je bijblijft: uniek en rustig.
Anan Creek – Beren, zalm en stilte
De ochtend begon fris en bewolkt, wat perfect weer was voor onze trip naar Anan Creek – een van de beste plekken in Zuidoost-Alaska om beren te observeren. Onze gids, Jim Leslie, haalde ons op in zijn busje. Samen met Ivan Simones, een Tsjechische natuurkenner met een zachte stem en een schat aan kennis, vertrokken we per boot naar de kreek. De tocht over het water was een belevenis op zich, met overal zeehonden en zeearenden en de lucht gevuld met de geur van zout en dennenbomen.
Anan Creek is een plek waar de natuur de baas is. De houten promenade volgt het oorspronkelijke berenpad en de verse sporen, uitwerpselen en klauwafdrukken herinneren je eraan dat je te gast bent in hun rijk.
De zalmtrek was dit jaar laat, en dat maakte de beren hongerig. Toch was het niet de hoeveelheid vis die indrukwekkend was, maar de dynamiek tussen de dieren. Zwarte beren stonden aarzelend langs de oever, te lui of te voorzichtig om het water in te gaan. Een moederbeer met drie jongen trok zich haastig terug in het bos. Een andere joeg haar jong in een boom toen een bruine beer verscheen. De kreek was een theater van instinct, hiërarchie en overleven.
We kregen een tijdslot in de gecamoufleerde schuilplaats, een beschutte plek dicht bij het water waar we de beren van dichtbij konden observeren. Op nog geen tien meter afstand zagen we een bruine beer die met indrukwekkende vaardigheid aan het vissen was. Hij at slechts een deel van zijn vangst en liet de rest voor de arenden en andere beren. Later kwam een moederbeer met twee speelse jongen recht op ons af. De kleintjes waren zo actief dat ze bijna onmogelijk te fotograferen waren. Maar het moment – de nabijheid, de opwinding en de schoonheid – was onvergetelijk.
Toen we na urenlang naar beren kijken moe en hongerig terugkeerden naar de boot, wisten we dat we iets bijzonders hadden meegemaakt. Ivan en Jim zeiden dat het een van de mooiste dagen was die ze ooit in Anan Creek hadden gehad. En wij? Wij voelden ons klein, dankbaar en vol bewondering.
Op jacht naar Dungeness-krab – een culinaire ontdekking in Wrangell
De host van onze camping raadde ons aan om even langs te gaan bij de visserij om verse Dungeness-krab te kopen. Er was geen winkel, maar hij verzekerde ons dat ze soms rechtstreeks aan voorbijgangers verkopen. Dus stapten we op de fiets en reden amper 300 meter, tussen trailers en enorme plastic bakken, tot we iemand tegenkwamen. Het bleek de manager te zijn, die ons meteen meenam naar de bakken vol krab. Geen gekookte, maar levende krabben – vijf dollar per stuk. Hij gaf ons enkele instructies: breng water aan de kook, doe de krab erin en laat ze twaalf minuten koken zodra het water weer kookt. Klaar!
Het schoonmaken ging razendsnel: tik de schaal tegen de rand van de bak,verwijder de ingewanden en breek de rest in tweeën – vijftien seconden per krab. Met een zak vol zeven krabben keerden we terug naar de camping, waar Jim, onze gastheer, een grote kom met water en een propaanbrander had klaargezet. We kookten de krabben buiten naast zijn indrukwekkende camper bij de visverwerkingsruimte bij de rokerij.
Het voelde alsof ik in een Jamie Oliver-reisreportage beland was. De krab smaakte zoet en sappig – puur, vers en onweerstaanbaar. Er bleef zelfs genoeg over voor een heerlijke lunch.
Zalm, kuit en ruwe arbeid
De volgende regenachtige ochtend bezochten we een visverwerkingsfabriek waar net een commerciële vissersboot was aangekomen met een lading chumzalm. Het was een fascinerend maar ook grof schouwspel: water en vis werden via een grote slang uit het ruim gezogen. De zalm gleed vervolgens over metalen roosters en werd in bakken gesorteerd. Mannen in regenjassen stonden in enkeldiep bloederig water en schopten de vis met hun laarzen terug in de stroom.
Het sorteren gebeurde snel en efficiënt. De mannetjes hebben een haakvormige bovenkaak en de vrouwtjes hebben een ronde mond – en wie twijfelde, voelde aan de buik om het verschil te zien. De kuit moest snel worden verwerkt, dus de vrouwtjes kregen voorrang. In het verwerkingsgebouw sneed men de koppen eraf, de buiken open en verwijderde men de ingewanden. De vissen ondergingen een temperatuurschok van -70 °F (-57 °C), waarna ze werden gewassen, verpakt en klaargemaakt voor transport.
Het was indrukwekkend om te zien hoe hard iedereen werkte. Studenten, immigranten uit Mexico en Rusland en lokale seizoenarbeiders maakten dagen van 18 tot 20 uur. Tussen het harde werk door werd er geschreeuwd en gelachen. De manager vertelde ons dat een boot tot 160.000 kilo vis kan binnenhalen. Terwijl ik daar stond, besefte ik hoe ver deze wereld verwijderd is van de romantiek van een zalm op de barbecue.
De Stikine en Leconte – Glaciale schoonheid en menselijke verhalen
Rond de middag trokken we weer het water op met Jim Leslie, dit keer op weg naar de Stikine-rivier en de Leconte-gletsjer. De rivier, gevoed door meer dan honderd gletsjers, was troebel en onvoorspelbaar. Jim navigeerde behendig tussen zandbanken en drijvende boomstammen, terwijl zijn charmante veertienjarige zoon James, die van Haida-Tlingit-afkomst is, ons aan boord hielp. Gaia bloosde toen Jim suggereerde dat hij James ‘voor haar’ had meegenomen.
De Stikine is een rivier van verhalen. Over homesteaders die op drijvende hutten leven om de federale wet te omzeilen. Over jagers die in Sitka-sparren klimmen om elanden te spotten. Over de ongeschreven wetten van het Noorden: wie een hut gebruikt, laat ze achter in betere staat dan hij ze vond. En over de zeearenden, die pas na vijf jaar hun witte kop krijgen, en die – zo blijkt uit DNA-onderzoek – niet altijd trouw zijn aan hun partner.
Toen we de Leconte Glacier naderden, werd het landschap steeds surrealistischer. Blauwe ijsbergen dobberden in het ijskoude water, hun kleur versterkt door de regen en het diffuse licht. Jim zette de motor uit en plotseling waren alleen nog het geruis van watervallen, het getik van regen op het dek en het gekraak van de gletsjer te horen. We waagden ons tot diep in een smalle kreek, op zoek naar elanden, maar kwamen vast te zitten in het gras. Jim bleef kalm, vroeg ons naar voren te komen om het gewicht te verplaatsen, en slaagde erin ons veilig te keren. Zijn ervaring was te zien in elke beweging.
De tocht was een les in nederigheid. In hoe de natuur zich niet laat temmen, maar wel laat bewonderen. In hoe verhalen – van Jim, van Ivan, van mensen die van het land leven – verbonden zijn met de omgeving. En in hoe zelfs een regenachtige dag, met natte camera’s en koude handen, kan uitgroeien tot een van de meest magische momenten van een reis.